Het proces stap voor stap

Om tot een hoogspanningsverbinding te komen is er een proces nodig dat stap voor stap doorlopen wordt. In totaal duurt het ruimtelijke traject ongeveer zeven jaar. Daar komt nog ongeveer drie jaar voor het bouwen bij.

In het derde Structuurschema Elektrciteits Voorziening (SEV III) is het overheidsbeleid ten aanzien van de elektriciteitsvoorziening in Nederland geformuleerd. Het gaat onder meer over de ontwikkeling van nieuwe hoogspanningsverbindingen en mogelijke vestigingslocaties voor grote elektriciteitscentrales.

1. Bepalen noodzaak

De Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu bepalen of een nieuwe verbinding nodig is. Dit gebeurt op basis van analyses van de elektriciteitsmarkt op de korte en langere termijn uitgevoerd door TenneT. Daarbij geldt dat TenneT moet kunnen voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de Elektriciteitswet 1998; TenneT moet nieuwe centrales aansluiten op het hoogspanningsnet en zorgen voor voldoende transportcapaciteit.

De ministers sluiten met hun keuzes ook aan bij het rijksbeleid. Hierin staat dat de kwaliteit van het transportnet op een hoog niveau moet blijven en dat elektriciteit ook in de toekomst betaalbaar moet zijn. 

2. Startnotitie voor de milieueffectrapportage (m.e.r)

De eerste formele stap in de procedure is de Startnotitie voor de m.e.r.-rapportage. Een m.e.r.-procedure is een wettelijk verplicht onderzoek naar de milieueffecten van belangrijke ruimtelijke beslissingen. Hierin wordt aangegeven wat de nut en noodzaak is van de nieuwe verbinding.  

In de Startnotitie is ook aangegeven binnen welk zoekgebied de mogelijke routes (tracéalternatieven) gezocht moeten worden en is op hoofdlijnen aangegeven welke milieueffecten onderzocht worden. De grenzen van het zoekgebied zijn onder meer tot stand gekomen doordat de bestaande en toekomstige belemmeringen en kansen in kaart zijn gebracht. Dit is gedaan op basis van beschikbare informatie zoals bestemmingsplannen, Natura-2000 gebieden, landschap en cultuurhistorie. Maar ook is aangegeven waar mogelijk gecombineerd moet worden met bestaande hoogspanningsverbindingen.

3. Tracéalternatieven

Binnen het zoekgebied zijn mogelijke routes, tracéalternatieven, ontwikkeld. Dit is op basis van verschillende uitgangspunten gebeurd. Tijdens het uitwerken van de  tracéalternatieven is veelvuldig overleg gepleegd met provinciale en lokale overheden en belangenorganisaties als Staatsbosbeheer en milieuorganisaties. De ministers stellen de tracéalternatieven vast. Daarna starten de onderzoeken die de basis vormen voor het Milieueffectrapport (MER). Met deze onderzoeken worden de effecten van de nieuwe verbinding op het milieu onderzocht. Het gaat hierbij om de thema’s landschap, leefomgeving, natuur, archeologie, bodem en water.

Onderdeel van dit onderzoek is het bepalen van het Meest Milieuvriendelijke alternatief (MMA). Bij het bepalen van het MMA spelen alleen milieuaspecten een rol. Andere aspecten zoals kosten en techniek zijn voor het MMA niet van belang. Het MMA vormt de basis bij het maken van de keuze voor het voorgenomen tracé. Afwijken mag maar daar moeten goede redenen voor zijn.

4. Voorgenomen tracé

Het zoekgebied bestaat uit verschillende deelgebieden. De grenzen hiervan zijn zo gekozen dat op deze punten tussen de alternatieven gewisseld kan worden. Vanuit alle tracéalternatieven wordt één tracé gekozen dat het best tegemoet komt aan de verschillende belangen. Dit tracé kan dus per deelgebied uit een ander alternatief bestaan. Zo kan tot het meest optimale tracé worden gekomen. Het voorgenomen tracé wordt door de Ministers van EL&I en I&M vastgesteld. Het MMA is het uitgangspunt bij die keuze. Hiervan kan overigens wel worden afgeweken, mits goed gemotiveerd. Daarnaast spelen ook zaken als kosten, (net)techniek en draagvlak een rol bij het maken van de keuze.

5. Mastenplan

Het voorgenomen tracé dat door de ministers is bepaald vormt de basis voor het Inpassingsplan. Dit tracé moet nog wel gedetailleerd worden uitgewerkt om zeker te weten dat het tracé ook daar kan worden aangelegd. Dat betekent dat de exacte mastposities nog bepaald moeten worden. Hiervoor is vaak aanvullend bodemonderzoek nodig en vindt ook overleg plaats met de grondeigenaren op wiens grond de masten in de toekomst geplaatst worden. In het mastenplan worden de posities van de hoekmasten en tussenliggende masten vastgelegd. Zodra het mastenplan gedetailleerd genoeg is uitgewerkt, wordt een voorbereidingsbesluit genomen.

6. Voorbereidingsbesluit

Met een voorbereidingsbesluit verklaren de ministers dat voor een bepaald gebied een inpassingsplan wordt voorbereid. Doel van het voorbereidingsbesluit is dat gebied te vrijwaren van andere ontwikkelingen die aan realisatie van het inpassingsplan in de weg kunnen staan. Dat wil niet zeggen dat alle ontwikkelingen in dat gebied onmogelijk zijn. Per ontwikkeling/vergunningaanvraag zal hiernaar gekeken worden. 

Deze stappen wordt nog gevolgd door: